Vrijheid van meningsuiting of smaad onder de dekmantel van?

Oprechte verontwaardiging of mediageilheid ten top?
De ruzie tussen collega-advocaat Theo Hiddema en cartoonist Ruben Oppenheimer riep die vragen bij mij op.

Waar ging het om ?
Theo, die – voorzover mij bekend – algemeen vanwege zijn scherpe tong, ijdelheid, verzorgde uiterlijk en droge humor bekend staat en, als strafpleiter, onder vakgenoten, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht respect geniet, vond het nu goed geweest. Ruben, die bekend is als cartoonist, had hem voor de tweede keer als “louche advocaat” geportretteerd in een plaatselijk weekblad.

Het woordje “louche” deed het hem. Dat betekent – volgens de “Van Dale” – “onguur, verdacht”.

Theo pikte het niet dat zo’n “onbenullige rat” van een Oppenheimer hem publiekelijk – voor de tweede keer – zo neerzette. De lezers/kijkers zouden kunnen denken dat het waar is dat Theo niet integer is, terwijl Oppenheimer geen enkel bewijs van het tegendeel heeft. Door die cartoon werden zijn eer en goede naam aangetast, zijn reputatie geschaad. Dat is onrechtmatig !

Theo eist een rectificatie. Ruben en het weekblad weigeren dat, o.a. omdat er intussen in hetzelfde weekblad een reactie van Ruben is opgenomen waarin hij Theo een “sieraad voor de samenleving” noemt en tekst en uitleg geeft over zijn cartoon.

Theo daagt daarom Ruben en het weekblad voor de rechter en eist daar o.a. een rectificatie.

Waar moet de rechter over oordelen?
Mr Etman, de dienstdoende Voorzieningenrechter bij de Rechtbank in Maastricht, die slechts een voorlopig oordeel kan uitspreken, hoort beide partijen aan.

Ruben verdedigt zich met de volgende argumenten:

  • Theo liet recent een boek over zichzelf publiceren, waarin hij uitvoerig uitlegt dat hij geen homofiel is en beschuldigt in dat boek een privédetective van afpersing;
  • die privédetective deed daarvan aangifte bij politie wegens smaad en laster, legde een verklaring af tegenover De Telegraaf en beschuldigde Theo van omkoping;
  • deze berichtgeving was aanleiding voor de cartoon, die was bedoeld om op spottende wijze het verschijnsel mediagretige advocaat te becommentariëren. De cartoon zegt: “Niet de beschuldiging van omkoping deert Theo (en ontlokt hem een ontkenning), maar het feit dat mensen denken dat hij homofiel is”;
  • de kwalificatie louche was gebaseerd op de genoemde beschuldiging van omkoping.
  • door de mate, waarin Theo de publiciteit in de media zoekt en de wijze waarop hij zich vervolgens daarin presenteert, schaadt hij het aanzien van de advocatuur; als voorbeeld noemt Ruben het advies van Theo aan “welgestelden” om “een pistool te kopen om zich te beschermen tegen Oost‑Europese bendes”;
  • aan het door hem geuite waardeoordeel over Theo in de vorm van de cartoon mag niet de eis worden gesteld dat het “voldoende feitelijke ondersteuning vindt in beschikbaar feitenmateriaal”; als cartoonist mocht hij ook onbewezen beschuldigingen als waarheid presenteren;
  • de kwalificatie “louche” is niet ernstig omdat Theo door zijn optreden in de media zijn eigen naam en faam aantast, wat kan worden afgeleid uit een ingezonden brief, die in het NRC Handelsblad werd afgedrukt en waarin met afkeuring gereageerd wordt op de wijze waarop Theo zichzelf portretteert in een interview.

Met die verdediging komt Ruben bij Mr Etman niet weg.
De rechter stelt voorop dat een cartoon een meningsuiting is, die:

  • zich kenmerkt daardoor dat een mening wordt geuit door middel van artistieke expressie (een tekening), waarvan satire, spot, ironie, overdrijving en verdraaiing van de werkelijkheid wezenlijke bestanddelen vormen;
  • is bedoeld om te provoceren en te stoken.
  • in beginsel valt onder het recht op vrije meningsuiting, dat beschermd wordt door de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
  • het recht op vrije meningsuiting, volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ook het recht omvat, zij het niet onbeperkt, om zich uit te drukken op een manier, die voor anderen kwetsend, verontrustend of aanstootgevend is;
  • de aard van de cartoon, als vorm van meningsuiting, met zich brengt dat daarvoor ruimere grenzen gelden dan meningsuitingen met een zuiver serieus karakter;
  • Theo, als publiek figuur, forsere publicitaire tegenstoten mag verwachten en moet accepteren; zeker nu hijzelf ook verbaal scherp uit de hoek kan komen.

Vervolgens oordeelt hij dat:

  • het woord “louche” noch in het opschrift van de bewuste cartoon noch in de overige delen van de cartoon (de tekening en de tekst in de tekstballon) “in de (door Ruben op de zitting) geschetste context valt te plaatsen (bedoeld zal zijn: passend c.q. op zijn plaats is) en ook “ongepast” is;
  • de door Ruben op de zitting gegeven toelichting op de cartoon niet rechtvaardigt Theo te omschrijven als een “louche advocaat”. Het enkele feit dat een privédetective hem beschuldigt van omkoping, betekent niet dat deze beschuldiging ook juist is. Temeer nu Theo die beschuldiging betwist, was er “in redelijkheid onvoldoende aanleiding om het bewuste waardeoordeel uit te spreken”.
  • als Ruben een bepaalde groep advocaten, met Theo als concreet voorbeeld, als op media-aandacht beluste advocaten op spottende en satirische wijze wil portretteren vanwege die eigenschap, het gebruik van het woord louche in dat verband niet op zijn plaats is. Het feit dat een bepaalde advocaat of bepaalde groep van advocaten vaak in de media wil verschijnen, maakt deze advocaten daarom niet louche (dat wil zeggen onguur of verdacht);
  • door de aanduiding “louche”, die een ernstig beschuldigend karakter heeft, de spottende en satirische aanduiding “ongerechtvaardigd een veel zwaardere lading krijgt, die niet past bij de beschuldiging, dat Theo een glamouradvocaat is”;
  • in dit geval heeft het waardeoordeel van Ruben het karakter gekregen van een door hem gepresenteerd feit en niet een door hem geuite “prikkelende mening”. Zeker gezien het karakter van het waardeoordeel, een ernstige beschuldiging betreffende de integriteit van Theo, dient dat waardeoordeel van een voldoende feitelijke onderbouwing te worden voorzien;
  • dat Theo, als publiek figuur forsere publicitaire tegenstoten mag verwachten en moet accepteren, betekent niet dat hij in de onderhavige omstandigheden moet accepteren dat hij wordt gekarakteriseerd als louche;
  • ook het feit dat door anderen met afkeuring gereageerd wordt op de wijze waarop Theo zichzelf portretteert in genoemd interview, rechtvaardigt het gebruik van het woord louche in de cartoon niet;

Conclusie: de meningsuiting van Ruben wordt niet beschermd door het recht op vrije meningsuiting en is derhalve onrechtmatig jegens Theo. Er moet een rectificatie volgen.

Wat vind ik, als jurist, hiervan?
De vrijheid van meningsuiting is een groot goed.

Voorbeelden van beknotting van die vrijheid onder de dekmantel van (het belang van) de handhaving van rust, orde, fatsoen of goede smaak zijn er genoeg. Vaak gebeurde dat om critici  de mond te snoeren en ongerechtvaardigde belangen van individuen of groepen te beschermen. Daar werd een hoge prijs voor betaald in de vorm van misstanden en onrecht, die daardoor onontdekt en in stand konden blijven.

Maar goed dat die vrijheid in internationale verdragen en de Grondwet zijn vastgelegd, net als andere vrijheden, zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van het eigen lichaam.

Al die vrijheden vinden hun beperking in de wet en die bepaalt wat wij – met zijn allen – vinden wat in ons maatschappelijk verkeer wel en niet is toegelaten als beperking van die vrijheden.

Een van die beperkingen is het middels een uitlating toebrengen van schade aan een ander, bijvoorbeeld door diens eer en/of goede naam te schaden. Juridisch kan dat kwalificeren als  belediging, smaad of laster. Dat zijn strafbare feiten, die ook civielrechtelijk door de benadeelde aangepakt kunnen worden middels een vordering tot rectificatie, verbod en/of schadevergoeding.

Rechters hebben de (wettelijke) taak in specifieke gevallen de grenzen tussen wat acceptabel is en wat niet aan te geven. Dat is een moeilijke opgave.

De rechtspraak over belediging laat zich kort als volgt samenvatten: wat wel en niet kan worden gezegd/geschreven/getekend over een ander hangt af van de omstandigheden, van wie het betreft, hoe en waar het wordt gezegd en met welk doel. De regulering van wat (niet) kan laat zich niet vatten in voor elke situatie geldende regels.

De Maastrichtse Voorzieningenrechter heeft wel enkele regels voor ogen en lijkt enkele piketpaaltjes te willen slaan met zijn overwegingen, die ik interpreteer als volgt.

Regel 1
Het woord “louche” in het opschrift of andere delen van een cartoon moeten in een voor elke lezer duidelijke, door de cartoonist/publicist beoogde, “context zijn te plaatsen” en daardoor als “gepast” kunnen worden aangemerkt;

Oftewel: de boodschap, die de cartoonist wil overbrengen, moet – om toelaatbaar te zijn – ook kunnen overkomen bij een simpele lezer/kijker; de cartoonist kan niet achteraf met een uitleg komen, die de simpele lezer/kijker niet uit de afbeelding had kunnen afleiden;

mijn commentaar:
Aan een schoolmeester, die bepaalt of de cartoonist/publicist de juiste woorden heeft gekozen om zijn boodschap over te brengen, hebben we geen behoefte. Een boodschap, die niet overkomt maar niemand schaadt, mist zijn doel en daar moet de rechter van af blijven.

Regel 2
Als een cartoonist/publicist een bepaalde groep advocaten, met Theo Hiddema als concreet voorbeeld, als op media-aandacht beluste advocaten op spottende en satirische wijze wil portretteren vanwege die eigenschap, dan moet hij woorden gebruiken, die “in dat verband op hun plaats” zijn;

mijn commentaar:
Ook hier zie ik het ongewenste gevolg dat de rechter op de stoel van de cartoonist moet gaan zitten en bepalen welke woorden (on)gepaste spot/satire opleveren. Daar zitten we niet op te wachten en heeft geen meerwaarde.

Regel 3
Als een spottende en satirische aanduiding door een bepaald woordgebruik, zoals het woord “louche”:

a) “ongerechtvaardigd een veel zwaardere lading”, krijgt, nl. van een door de cartoonist/publicist gepresenteerd feit; en
b) een ernstige beschuldiging betreffende de integriteit van de beschuldigde inhoudt;

dan moet dat waardeoordeel “van een voldoende feitelijke onderbouwing worden voorzien” alvorens gepubliceerd te mogen worden; ook als – zoals in dit geval – het wordt gebaseerd op een beschuldiging van omkoping door een derde (hier: de privé-detective). Ook een publiek figuur, dat in het algemeen forsere publicitaire tegenstoten mag verwachten en moet accepteren, hoeft geen ernstige beschuldiging betreffende zijn integriteit te accepteren, tenzij dat waardeoordeel “van een voldoende feitelijke onderbouwing is voorzien”;

Oftewel: ook voor een cartoon met spot/satire ligt de grens daar waar de integriteit van de doelwit-persoon in twijfel wordt getrokken of regelrecht aangetast. Dat mag alleen als er een bepaalde vorm/mate van bewijs voor de juistheid van de beschuldiging is.

mijn commentaar:
Hier vindt de Voorzieningenrechter mij aan zijn kant voor wat betreft het trekken van de grens bij (verwijtbare) aantasting van de (de integriteit van de) persoon, maar niet bij zijn afkeuring van het woord/begrip “louche”. Dat woord betekent voor mij: “verdacht, niet zuiver op de draad”. Daarbij heb ik dus niet (direct) de associatie: evident onbetrouwbaar/crimineel en dat laatste vind ik wel een duidelijke beschuldiging, die op zijn minst – binnen redelijke grenzen – door de publicist voor publicatie onderzocht moet zijn en desgevraagd onderbouwd moet kunnen worden. Zeker als het om spot/satire/humor gaat, die een publiek figuur betreft, dat zichzelf daaraan bloot stelt door zijn gedrag, moeten zware eisen gesteld worden aan de duidelijkheid en gerichtheid van de beoogde kwetsing c.q. aantasting van zijn persoon en het gebrek aan feitelijke onderbouwing c.q. bewijs, alvorens die mag worden afgekeurd en verboden.

Nu is mijn mening/gevoel/associatie bij het woord “louche” natuurlijk niet zo belangrijk. Wezenlijk is wat de lezer/kijker, die de Van Dale kent of erop naslaat, bij dat woord denkt en bij de invulling daarvan heeft de rechter wel een taak. Mr Etman en Theo zijn het niet met mij eens. Die vinden “louche” in de gegeven situatie een “ongepaste, ernstige beschuldiging betreffende de integriteit”.

Wat leren we hiervan, wat moeten we er verder mee?
Theo heeft weer meerdere optredens voor de bühne gehad, gratis reclame gekregen voor zijn boek en heeft van de rechter (voorlopig) gelijk gekregen. Van vakgenoten heb ik weinig uitingen van sympathie gehoord/gezien. Wil hij ook niet, denk ik. Hij vind zijn rol van bijtende zonderling veel te mooi en koestert die. Anderen zijn maar jaloers of afgunstig.

Ondertussen kijkt er een groep meewarig toe.

Als collega-advocaat schaam ik me soms voor zijn ijdele gedrag en harde en kwetsende woordgebruik. De andere keer ben ik weer trots op zijn eloquentie en voorbeeldige opkomen voor het belang van zijn cliënt.

Ik weet niet of Theo zijn cliënten adviseert hoe te handelen om onder strafrechtelijke vervolging of veroordeling uit te komen of tegenover de rechter bewust feiten verdraait. Of waar hij vindt dat de grens op dat gebeid ligt voor een advocaat. Dat heb ik nog nooit een interviewer horen vragen. Ik ben wel benieuwd naar zijn antwoord. Hij lijkt me een eerlijke vent. En als hij dan met “ja” antwoordt, ben ik nog benieuwd naar zijn antwoord op de vraag of en waarom hij dat passend vindt bij de rol van de advocaat in het strafproces. Een discussie op niveau daarover lijkt me echt interessant.

Ook Ruben heeft gratis reclame voor zijn werk gekregen en heeft wel veel steun van sympathisanten en vakgenoten gekregen. Hij heeft de strijd nog niet opgegeven. Hij weet nu hoe de rechter voorlopig over zijn woordkeuze oordeelt. Ook een discussie op niveau daarover lijkt me interessant.

We leven in een tijd, waarin we dulden dat mensen elkaar openlijk bestoken met woorden als “rat” en “smaadmagneet met gluiperig snorretje”. We vinden dat getuigen van slechte smaak, grof en onnodig of we vinden dat direct en passend in de omstandigheden.

Dulden is een mooi woord. Teveel echter is niet goed. Ergens moet een grens getrokken worden. Daar hebben we rechters voor en dat zijn ook maar mensen, maar wel belangrijke.

Advertisements

Mediation voor ouderen

Ouder worden gaat vaak gepaard met gebreken en conflicten

De realiteit van het ouder worden en de daaraan verbonden beslissingen, waarmee een oudere en zijn/haar familie worden geconfronteerd, stellen ook hechte en stabiele families – zelfs als zij in het verleden effectief konden omgaan met het nemen van moeilijke beslissingen en onderlinge conflicten – vaak zwaar op de proef.

De achteruitgang van fysieke en psychische mogelijkheden en daaruit voortvloeiende beperkingen en wijzigingen in de woon- en leefsituatie veroorzaken soms spanningen, die de communicatie tussen de betrokken oudere en zijn naaste omgeving problematisch maken.

De oudere zelf voelt zich niet gehoord en gerespecteerd in zijn/haar behoeften en – fundamentele – recht om zelf te beslissen, wordt onzeker, voelt zich onveilig en raakt in zichzelf gekeerd.

De hem omringende familie, hulp- en/of zorgverleners, zoals arts, sociaal werker, advocaat, fiscaal of financieel adviseur etc. hebben een eigen opvatting over wat de oudere nog wel en niet meer (verant-woord) kan en wat goed voor hem/haar is en dringen – vaak onbewust – hun (goedbedoelde) wil op.

Dat kan leiden tot conflicten tussen de betrokkenen met heftige emotionele reacties, zoals (over)bezorgdheid, frustratie, angst, boosheid of onzekerheid.

Wat kan mediation bieden ?

Als de bij zo’n conflict betrokken partijen kiezen voor mediation, dan kiezen zij voor (de weg naar) een oplossing, die zij zelf kiezen en niet voor hen door anderen wordt bepaald.

Het transformatieve mediationmodel (TM) stelt het zelfbeschikkingsrecht van de oudere voorop. De TM-mediator zal zich daardoor onthouden van sturende interventies en de betrokken partijen (louter) helpen en ondersteunen in het maken van hun eigen keuzes. Zij bepalen wat zij belangrijk vinden om te bespreken, hoe zij dat willen bespreken en wat de uiteindelijke uitkomst is. Emoties worden niet ontmoedigd of onderdrukt doch – in tegendeel – als waardevolle en normale onderdelen van het proces gezien.

Waardoor kenmerkt zich oudermediation ?

Kenmerkend is de betrokkenheid van meerdere partijen en het intensieve intake-proces, waarin wordt vastgesteld wie een plaats aan de medation tafel krijgt. Tijdens de bijeenkomsten komen o.a. de volgende onderwerpen aan bod:

  • Beslissingen over gezondheid en medische zorg
  • Financiële en juridische aangelegenheden
  • Beslissingen over huisvesting
  • Communicatie
  • Relaties
  • Besluitvorming
  • Personele zorg en onderhoud
  • Onderwerpen in relatie tot beperkingen

Doel van de interventies van de TM-mediator is erop gericht de partijen de gelegenheid te bieden om (eindelijk) gehoord te worden in hun wensen, behoeften en verlangens, daarin erkend en gerespecteerd te worden, hen gerust te stellen en te ondersteunen in hun capaciteiten om zelf de oplossing te vinden, die bij hen past.

Pesten en mediation

De laatste tijd wordt er in de media weer veel aandacht besteed aan het fenomeen pesten. Pesten is niet nieuw, komt wereldwijd voor en is niet cultuurgebonden. Door de komst van internet heeft pesten echter een enorme vlucht genomen. Cyberpesten is gemakkelijker en effectiever voor de pester, de gepeste kan er daarentegen nauwelijks aan ontsnappen.

Vanuit mijn rol als mediator zie ik duidelijk mogelijkheden om deze conflictsituaties tot een einde te brengen. Voor pesten zijn er (minimaal) twee nodig en om het te stoppen (dus) ook. Dat impliceert dat zowel de gepeste als de pester een rol hebben, die aandacht verdient.

Vaak gaat de eerste en meeste aandacht uit naar de gepeste, die al gauw wordt geëtiketteerd als slachtoffer, dat “volledig onschuldig” is en niet zelf in staat is te bepalen hoe hij/zij uit de situatie kan geraken. De pester krijgt het etiket van misdadiger opgeplakt en wordt “aangepakt”.

Die primaire reactie is begrijpelijk. In de meeste gevallen zal de eerste interventie gericht (moeten) zijn op opvang van de gepeste en voorkoming van herhaling. De “strijdende partijen”moeten uit elkaar worden gehaald en tot rust kunnen komen.

Als dat is gelukt en beide – in een zekere rust – tot zich hebben laten doordringen wat er allemaal is gebeurd en wat de gevolgen daarvan voor henzelf en de ander zijn, dan komt er een moment, waarop de bereidheid kan ontstaan (en worden gefaciliteerd) om er eens samen over te praten.

Elke betrokken partij heeft een eigen rol en kijk op het ontstaan, doorgaan en de gevolgen, die aandacht verdient. Pas als ieder zich gehoord en begrepen voelt, kan hij/zij het heft weer in eigen hand nemen en zelf bepalen wat en hoe hij/zij verder wil met het conflict.

Het respect voor en geloof in het eigen vermogen van elke partij om in te zien wat er gebeurt, waar het toe leidt en een eigen – zelf gekozen – uitweg, in de vorm van passend gedrag, te kiezen, is essentieel om de kans op een blijvende oplossing te vergroten.

Een mediator kan daarbij helpen.

Mediation congres 2013

Op 15 november j.l. ben ik naar het jaarlijkse Mediation congres in het Media Plaza te Utrecht geweest. Het was weer een boeiende dag met een zeer interessant programma. De spreker Willem Sodderland gaf een zeer inspirerende sessie en heeft mij weten te enthousiasmeren om meer aandacht te gaan besteden aan mijn online activiteiten. En om maar direct goed van start te gaan heb ik mijn eigen Blog opgezet. Vanaf heden zal ik met regelmaat schrijven over zaken welke mij bezig houden, m.n. binnen mijn vakgebied: Mediation.