Ons rechtssysteem kan beter…

Dodelijke verkeersongeval door schuld automobilist,  rijbewijs terug na fatale aanrijding onder invloed ? Hoe kan dat ? Er wordt te licht gestraft !

Iedere keer als er zich zo’n schrijnend geval voordoet, lezen we in de pers dat de rechterlijke macht te licht straft en te weinig oog heeft voor de behoefte van de slachtoffers aan genoegdoening/vergelding.

Oordelen die rechters nu echt zo slecht? Zijn ze het contact met de maatschappij, ons dus, die hen de macht heeft gegeven om zaken te beoordelen en straffen op te leggen, kwijt? Weten ze wel welke behoefte er leeft, hoe onveilig we ons voelen, hoe zeer de “geschokte rechtsorde’, wij dus, behoefte hebben aan strengere straffen, die de dader in kwestie, en potentiële daders in het algemeen, aan het denken moet zetten, zodat ze zoiets niet nogmaals in hun hoofd halen? En genoegdoening schenkt aan het slachtoffer en zijn omgeving?

Rechters zijn in de eerste plaats mensen. En die maken soms fouten en slaan de plank mis. Om die fouten te corrigeren, is het hoger beroep gecreëerd. In een strafzaak kan de verdachte of het Openbaar Ministerie en in een civiele zaak: de partij, die niet tevreden is met het oordeel, in hoger beroep de zaak opnieuw aan een hogere rechter voorleggen. Daarna houdt het (in principe) wel op. Alleen in uitzonderingssituaties komt de hoogste rechter, de Hoge Raad eraan te pas en kan herziening worden gevraagd.

Dat het een keer ophoudt, is goed. We kunnen niet eindeloos blijven doorgaan. Het systeem, dat we – met zijn allen – gekozen hebben en in de wet is verankerd, om de waarheid boven tafel te krijgen en alle belangrijke feiten te laten beoordelen door een geschoolde, ervaren professionele beoordelaar, de rechter, is niet perfect. Het is – in tegendeel – zeer beperkt.

Na 33 jaar advocatuur zeg ik:

1. de waarheid i.d.z.v. wat er precies is gebeurd, komt zelden aan het licht.
Advocaten, justitie en de rechter moeten het doen met wat hen voorgelegd wordt en dat is maar zelden objectief vastgesteld feitenmateriaal. Meestal betreft het (subjectief) gekleurde informatie van betrokken personen, die verklaren wat zij willen en kunnen op basis van hun beperkte waarneming en interpretatie daarvan.

2. zelden is iedereen tevreden met het resultaat van een procedure.
De rechter oordeelt op basis van wat hem/haar is voorgelegd en hakt een knoop door. De verliezende partij in het civiele proces en de verdachte in het strafproces, die in het ongelijk is gesteld of veroordeeld tot een straf, is zelden tevreden. Zo ook het slachtoffer, dat – eindelijk – in ons strafproces een (beperkte) rol heeft gekregen.

3. over het algemeen zit de rechter er niet erg ver naast.
Nadat alle betrokken partijen hun zegje hebben gedaan en de rechter de bij hem/haar opgekomen vragen beantwoord heeft gekregen, rolt er doorgaans een redelijk goed gemotiveerd oordeel uit, waarmee de partijen het kunnen en moeten doen. Over het algemeen doen rechters moeite hun beslissing begrijpelijk te motiveren, hoewel het daar vaak aan schort.

4. Het kan beter.

Kunnen we iets van andere rechtssystemen leren en overnemen ?
In de belangstelling staat recent weer het Amerikaanse rechtssysteem, dat juryrechtspraak kent. Met leken, die recht spreken. Zijn zij – beter dan professionele beoordelaars, zoals rechters – in staat te beoordelen wat juist en rechtvaardig is, wat hun medeburgers aanspreekt (en gerust stelt oftewel: bevredigt) qua strengheid en gepastheid van een straf in het strafproces of schadevergoeding in het civiele proces ? Ik ben ervan overtuigd van niet.

a. niet wat betreft waarheidsvinding, en
b. niet wat betreft de bepaling van de passende straf of schadevergoeding.

Omdat een leek veel gemakkelijker dan een professionele beoordelaar/rechter is te beïnvloeden en (daardoor) te manipuleren en niet in staat is om een visie te ontwikkelen op hoe consistent in vergelijkbare gevallen moet worden geoordeeld.

Klagen we terecht?
Alvorens met de wolven mee te huilen hoe slecht het gesteld is met ons systeem moeten we eens de moeite nemen de sterke en zwakke kanten onder ogen te zien en het vergelijken met dat van anderen op de grote wereld. Naar statistieken kijken dus (voor wat ze waard zijn).

Bijvoorbeeld naar statistieken van aantallen van opgeloste misdrijven, strafrechtelijke veroordelingen, zwaarte van straffen, terugval van daders (recidive), gevoel van (on)veiligheid, (on)rechtvaardigheid, schending van fundamentele rechten, geluk ervaring etc. Dan zie je dat Nederland het relatief goed doet ten opzichte van andere landen! Raraa hoe kan dat?

Degenen, die gelijk willen hebben met hun geklaag over “het systeem”, te zachte bestraffing, teveel tolerantie en teveel dit en te weinig dat, zullen altijd een antwoord klaar hebben. In hun ogen zijn wij te goedgelovig, te vergevingsgezind, te gastvrij, te … etc. De statistieken zijn gefingeerd, niet op de juiste uitgangspunten gebaseerd etc. Allemaal leugens van de gevestigde orde om ons dom en rustig te houden. Zij weten beter, maar onderbouwen met hard – wetenschappelijk – bewijs, kunnen ze hun verhaal niet. Maar hun gehuil klinkt wel zo lekker en het valt zo vaak in goede aarde bij hen, die slachtoffer geworden zijn of zich zo voelen.

Betekent dit dat ik de rechter in de bovenaan dit stuk vermelde gevallen kan volgen? Zijn oordeel goedkeur?
Nee! Ik kan mij goed voorstellen dat het betrokken slachtoffer vind dat de dader er te gemakkelijk van afkomt, zijn behoefte aan vergelding of genoegdoening niet is bevredigd.

Maar ik kan het ook niet afkeuren.

In de eerste plaats weet ik te weinig over wat er precies kon worden vastgesteld aan feiten, welke relevante feiten er verder op tafel zijn gekomen, die van belang zijn voor de bepaling van wat passend is als straf. In de tweede plaats, denk ik dat de behoefte van het slachtoffer aan vergelding niet de maatstaf voor de zwaarte van de straf mag zijn. Als we dat doen, hebben we – in no time – de guillotine terug. Willen we niet, vinden we onmenselijk.

Dus?
Laat de beoordeling toch maar in handen van iemand, die we kunnen toevertrouwen dat hij/zij – op basis van regels, die voor iedereen gelden, de wet dus – zorgvuldig en deskundig beoordeelt en tenslotte oordeelt.


Tenslotte:
Wat ik nog mis en wens in ons procesrecht, is meer aandacht voor waar het bij mensen vooral om draait in moeilijke situaties, waarin het gevoel overheerst dat onrecht is aangedaan.
Dat is aandacht voor, erkenning van en omgang met enerzijds de pijn, die een gevolg is van de schending c.q. aantasting van de persoonlijke integriteit, vrijheid, veiligheid, rust en noem maar op en anderzijds de behoefte aan heling, vergoeding, compensatie is er nauwelijks.

Rechters kunnen daar vaak niks mee omdat ons rechtssysteem hen daarvoor niet de middelen geeft, ze daarvoor niet zijn opgeleid en de meeste rechters daarin ook geen kennis en ervaring hebben opgedaan. In ons strafrecht heeft het slachtoffer wel een beperkt spreekrecht gekregen, maar de wijze waarop dat in de praktijk werkt, geeft nog weinig voldoening, naar ik begrijp. Een echte dialoog komt er op een openbare strafzitting niet van.

In ons civiele recht komt een dialoog daarover nauwelijks tot stand. Dat is erg jammer, want daarmee wordt m.i. een mooie kans gemist, nl. de kans om enerzijds het slachtoffer en anderzijds de dader van onrecht echt naar elkaar te laten luisteren en inzien wat de impact was en is. En mee te laten bepalen hoe het verder moet.

Als die dialoog – goed begeleid – op gang komt, weet ik zeker dat het helingsproces, dat van zo groot belang is, op gang kan komen en de behoefte aan een uitspraak van de rechter veel minder wordt. Die behoefte zal er wel altijd blijven, maar het kan beter!


 

Advertisements

Vrijheid van meningsuiting of smaad onder de dekmantel van?

Oprechte verontwaardiging of mediageilheid ten top?
De ruzie tussen collega-advocaat Theo Hiddema en cartoonist Ruben Oppenheimer riep die vragen bij mij op.

Waar ging het om ?
Theo, die – voorzover mij bekend – algemeen vanwege zijn scherpe tong, ijdelheid, verzorgde uiterlijk en droge humor bekend staat en, als strafpleiter, onder vakgenoten, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht respect geniet, vond het nu goed geweest. Ruben, die bekend is als cartoonist, had hem voor de tweede keer als “louche advocaat” geportretteerd in een plaatselijk weekblad.

Het woordje “louche” deed het hem. Dat betekent – volgens de “Van Dale” – “onguur, verdacht”.

Theo pikte het niet dat zo’n “onbenullige rat” van een Oppenheimer hem publiekelijk – voor de tweede keer – zo neerzette. De lezers/kijkers zouden kunnen denken dat het waar is dat Theo niet integer is, terwijl Oppenheimer geen enkel bewijs van het tegendeel heeft. Door die cartoon werden zijn eer en goede naam aangetast, zijn reputatie geschaad. Dat is onrechtmatig !

Theo eist een rectificatie. Ruben en het weekblad weigeren dat, o.a. omdat er intussen in hetzelfde weekblad een reactie van Ruben is opgenomen waarin hij Theo een “sieraad voor de samenleving” noemt en tekst en uitleg geeft over zijn cartoon.

Theo daagt daarom Ruben en het weekblad voor de rechter en eist daar o.a. een rectificatie.

Waar moet de rechter over oordelen?
Mr Etman, de dienstdoende Voorzieningenrechter bij de Rechtbank in Maastricht, die slechts een voorlopig oordeel kan uitspreken, hoort beide partijen aan.

Ruben verdedigt zich met de volgende argumenten:

  • Theo liet recent een boek over zichzelf publiceren, waarin hij uitvoerig uitlegt dat hij geen homofiel is en beschuldigt in dat boek een privédetective van afpersing;
  • die privédetective deed daarvan aangifte bij politie wegens smaad en laster, legde een verklaring af tegenover De Telegraaf en beschuldigde Theo van omkoping;
  • deze berichtgeving was aanleiding voor de cartoon, die was bedoeld om op spottende wijze het verschijnsel mediagretige advocaat te becommentariëren. De cartoon zegt: “Niet de beschuldiging van omkoping deert Theo (en ontlokt hem een ontkenning), maar het feit dat mensen denken dat hij homofiel is”;
  • de kwalificatie louche was gebaseerd op de genoemde beschuldiging van omkoping.
  • door de mate, waarin Theo de publiciteit in de media zoekt en de wijze waarop hij zich vervolgens daarin presenteert, schaadt hij het aanzien van de advocatuur; als voorbeeld noemt Ruben het advies van Theo aan “welgestelden” om “een pistool te kopen om zich te beschermen tegen Oost‑Europese bendes”;
  • aan het door hem geuite waardeoordeel over Theo in de vorm van de cartoon mag niet de eis worden gesteld dat het “voldoende feitelijke ondersteuning vindt in beschikbaar feitenmateriaal”; als cartoonist mocht hij ook onbewezen beschuldigingen als waarheid presenteren;
  • de kwalificatie “louche” is niet ernstig omdat Theo door zijn optreden in de media zijn eigen naam en faam aantast, wat kan worden afgeleid uit een ingezonden brief, die in het NRC Handelsblad werd afgedrukt en waarin met afkeuring gereageerd wordt op de wijze waarop Theo zichzelf portretteert in een interview.

Met die verdediging komt Ruben bij Mr Etman niet weg.
De rechter stelt voorop dat een cartoon een meningsuiting is, die:

  • zich kenmerkt daardoor dat een mening wordt geuit door middel van artistieke expressie (een tekening), waarvan satire, spot, ironie, overdrijving en verdraaiing van de werkelijkheid wezenlijke bestanddelen vormen;
  • is bedoeld om te provoceren en te stoken.
  • in beginsel valt onder het recht op vrije meningsuiting, dat beschermd wordt door de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
  • het recht op vrije meningsuiting, volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ook het recht omvat, zij het niet onbeperkt, om zich uit te drukken op een manier, die voor anderen kwetsend, verontrustend of aanstootgevend is;
  • de aard van de cartoon, als vorm van meningsuiting, met zich brengt dat daarvoor ruimere grenzen gelden dan meningsuitingen met een zuiver serieus karakter;
  • Theo, als publiek figuur, forsere publicitaire tegenstoten mag verwachten en moet accepteren; zeker nu hijzelf ook verbaal scherp uit de hoek kan komen.

Vervolgens oordeelt hij dat:

  • het woord “louche” noch in het opschrift van de bewuste cartoon noch in de overige delen van de cartoon (de tekening en de tekst in de tekstballon) “in de (door Ruben op de zitting) geschetste context valt te plaatsen (bedoeld zal zijn: passend c.q. op zijn plaats is) en ook “ongepast” is;
  • de door Ruben op de zitting gegeven toelichting op de cartoon niet rechtvaardigt Theo te omschrijven als een “louche advocaat”. Het enkele feit dat een privédetective hem beschuldigt van omkoping, betekent niet dat deze beschuldiging ook juist is. Temeer nu Theo die beschuldiging betwist, was er “in redelijkheid onvoldoende aanleiding om het bewuste waardeoordeel uit te spreken”.
  • als Ruben een bepaalde groep advocaten, met Theo als concreet voorbeeld, als op media-aandacht beluste advocaten op spottende en satirische wijze wil portretteren vanwege die eigenschap, het gebruik van het woord louche in dat verband niet op zijn plaats is. Het feit dat een bepaalde advocaat of bepaalde groep van advocaten vaak in de media wil verschijnen, maakt deze advocaten daarom niet louche (dat wil zeggen onguur of verdacht);
  • door de aanduiding “louche”, die een ernstig beschuldigend karakter heeft, de spottende en satirische aanduiding “ongerechtvaardigd een veel zwaardere lading krijgt, die niet past bij de beschuldiging, dat Theo een glamouradvocaat is”;
  • in dit geval heeft het waardeoordeel van Ruben het karakter gekregen van een door hem gepresenteerd feit en niet een door hem geuite “prikkelende mening”. Zeker gezien het karakter van het waardeoordeel, een ernstige beschuldiging betreffende de integriteit van Theo, dient dat waardeoordeel van een voldoende feitelijke onderbouwing te worden voorzien;
  • dat Theo, als publiek figuur forsere publicitaire tegenstoten mag verwachten en moet accepteren, betekent niet dat hij in de onderhavige omstandigheden moet accepteren dat hij wordt gekarakteriseerd als louche;
  • ook het feit dat door anderen met afkeuring gereageerd wordt op de wijze waarop Theo zichzelf portretteert in genoemd interview, rechtvaardigt het gebruik van het woord louche in de cartoon niet;

Conclusie: de meningsuiting van Ruben wordt niet beschermd door het recht op vrije meningsuiting en is derhalve onrechtmatig jegens Theo. Er moet een rectificatie volgen.

Wat vind ik, als jurist, hiervan?
De vrijheid van meningsuiting is een groot goed.

Voorbeelden van beknotting van die vrijheid onder de dekmantel van (het belang van) de handhaving van rust, orde, fatsoen of goede smaak zijn er genoeg. Vaak gebeurde dat om critici  de mond te snoeren en ongerechtvaardigde belangen van individuen of groepen te beschermen. Daar werd een hoge prijs voor betaald in de vorm van misstanden en onrecht, die daardoor onontdekt en in stand konden blijven.

Maar goed dat die vrijheid in internationale verdragen en de Grondwet zijn vastgelegd, net als andere vrijheden, zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van het eigen lichaam.

Al die vrijheden vinden hun beperking in de wet en die bepaalt wat wij – met zijn allen – vinden wat in ons maatschappelijk verkeer wel en niet is toegelaten als beperking van die vrijheden.

Een van die beperkingen is het middels een uitlating toebrengen van schade aan een ander, bijvoorbeeld door diens eer en/of goede naam te schaden. Juridisch kan dat kwalificeren als  belediging, smaad of laster. Dat zijn strafbare feiten, die ook civielrechtelijk door de benadeelde aangepakt kunnen worden middels een vordering tot rectificatie, verbod en/of schadevergoeding.

Rechters hebben de (wettelijke) taak in specifieke gevallen de grenzen tussen wat acceptabel is en wat niet aan te geven. Dat is een moeilijke opgave.

De rechtspraak over belediging laat zich kort als volgt samenvatten: wat wel en niet kan worden gezegd/geschreven/getekend over een ander hangt af van de omstandigheden, van wie het betreft, hoe en waar het wordt gezegd en met welk doel. De regulering van wat (niet) kan laat zich niet vatten in voor elke situatie geldende regels.

De Maastrichtse Voorzieningenrechter heeft wel enkele regels voor ogen en lijkt enkele piketpaaltjes te willen slaan met zijn overwegingen, die ik interpreteer als volgt.

Regel 1
Het woord “louche” in het opschrift of andere delen van een cartoon moeten in een voor elke lezer duidelijke, door de cartoonist/publicist beoogde, “context zijn te plaatsen” en daardoor als “gepast” kunnen worden aangemerkt;

Oftewel: de boodschap, die de cartoonist wil overbrengen, moet – om toelaatbaar te zijn – ook kunnen overkomen bij een simpele lezer/kijker; de cartoonist kan niet achteraf met een uitleg komen, die de simpele lezer/kijker niet uit de afbeelding had kunnen afleiden;

mijn commentaar:
Aan een schoolmeester, die bepaalt of de cartoonist/publicist de juiste woorden heeft gekozen om zijn boodschap over te brengen, hebben we geen behoefte. Een boodschap, die niet overkomt maar niemand schaadt, mist zijn doel en daar moet de rechter van af blijven.

Regel 2
Als een cartoonist/publicist een bepaalde groep advocaten, met Theo Hiddema als concreet voorbeeld, als op media-aandacht beluste advocaten op spottende en satirische wijze wil portretteren vanwege die eigenschap, dan moet hij woorden gebruiken, die “in dat verband op hun plaats” zijn;

mijn commentaar:
Ook hier zie ik het ongewenste gevolg dat de rechter op de stoel van de cartoonist moet gaan zitten en bepalen welke woorden (on)gepaste spot/satire opleveren. Daar zitten we niet op te wachten en heeft geen meerwaarde.

Regel 3
Als een spottende en satirische aanduiding door een bepaald woordgebruik, zoals het woord “louche”:

a) “ongerechtvaardigd een veel zwaardere lading”, krijgt, nl. van een door de cartoonist/publicist gepresenteerd feit; en
b) een ernstige beschuldiging betreffende de integriteit van de beschuldigde inhoudt;

dan moet dat waardeoordeel “van een voldoende feitelijke onderbouwing worden voorzien” alvorens gepubliceerd te mogen worden; ook als – zoals in dit geval – het wordt gebaseerd op een beschuldiging van omkoping door een derde (hier: de privé-detective). Ook een publiek figuur, dat in het algemeen forsere publicitaire tegenstoten mag verwachten en moet accepteren, hoeft geen ernstige beschuldiging betreffende zijn integriteit te accepteren, tenzij dat waardeoordeel “van een voldoende feitelijke onderbouwing is voorzien”;

Oftewel: ook voor een cartoon met spot/satire ligt de grens daar waar de integriteit van de doelwit-persoon in twijfel wordt getrokken of regelrecht aangetast. Dat mag alleen als er een bepaalde vorm/mate van bewijs voor de juistheid van de beschuldiging is.

mijn commentaar:
Hier vindt de Voorzieningenrechter mij aan zijn kant voor wat betreft het trekken van de grens bij (verwijtbare) aantasting van de (de integriteit van de) persoon, maar niet bij zijn afkeuring van het woord/begrip “louche”. Dat woord betekent voor mij: “verdacht, niet zuiver op de draad”. Daarbij heb ik dus niet (direct) de associatie: evident onbetrouwbaar/crimineel en dat laatste vind ik wel een duidelijke beschuldiging, die op zijn minst – binnen redelijke grenzen – door de publicist voor publicatie onderzocht moet zijn en desgevraagd onderbouwd moet kunnen worden. Zeker als het om spot/satire/humor gaat, die een publiek figuur betreft, dat zichzelf daaraan bloot stelt door zijn gedrag, moeten zware eisen gesteld worden aan de duidelijkheid en gerichtheid van de beoogde kwetsing c.q. aantasting van zijn persoon en het gebrek aan feitelijke onderbouwing c.q. bewijs, alvorens die mag worden afgekeurd en verboden.

Nu is mijn mening/gevoel/associatie bij het woord “louche” natuurlijk niet zo belangrijk. Wezenlijk is wat de lezer/kijker, die de Van Dale kent of erop naslaat, bij dat woord denkt en bij de invulling daarvan heeft de rechter wel een taak. Mr Etman en Theo zijn het niet met mij eens. Die vinden “louche” in de gegeven situatie een “ongepaste, ernstige beschuldiging betreffende de integriteit”.

Wat leren we hiervan, wat moeten we er verder mee?
Theo heeft weer meerdere optredens voor de bühne gehad, gratis reclame gekregen voor zijn boek en heeft van de rechter (voorlopig) gelijk gekregen. Van vakgenoten heb ik weinig uitingen van sympathie gehoord/gezien. Wil hij ook niet, denk ik. Hij vind zijn rol van bijtende zonderling veel te mooi en koestert die. Anderen zijn maar jaloers of afgunstig.

Ondertussen kijkt er een groep meewarig toe.

Als collega-advocaat schaam ik me soms voor zijn ijdele gedrag en harde en kwetsende woordgebruik. De andere keer ben ik weer trots op zijn eloquentie en voorbeeldige opkomen voor het belang van zijn cliënt.

Ik weet niet of Theo zijn cliënten adviseert hoe te handelen om onder strafrechtelijke vervolging of veroordeling uit te komen of tegenover de rechter bewust feiten verdraait. Of waar hij vindt dat de grens op dat gebeid ligt voor een advocaat. Dat heb ik nog nooit een interviewer horen vragen. Ik ben wel benieuwd naar zijn antwoord. Hij lijkt me een eerlijke vent. En als hij dan met “ja” antwoordt, ben ik nog benieuwd naar zijn antwoord op de vraag of en waarom hij dat passend vindt bij de rol van de advocaat in het strafproces. Een discussie op niveau daarover lijkt me echt interessant.

Ook Ruben heeft gratis reclame voor zijn werk gekregen en heeft wel veel steun van sympathisanten en vakgenoten gekregen. Hij heeft de strijd nog niet opgegeven. Hij weet nu hoe de rechter voorlopig over zijn woordkeuze oordeelt. Ook een discussie op niveau daarover lijkt me interessant.

We leven in een tijd, waarin we dulden dat mensen elkaar openlijk bestoken met woorden als “rat” en “smaadmagneet met gluiperig snorretje”. We vinden dat getuigen van slechte smaak, grof en onnodig of we vinden dat direct en passend in de omstandigheden.

Dulden is een mooi woord. Teveel echter is niet goed. Ergens moet een grens getrokken worden. Daar hebben we rechters voor en dat zijn ook maar mensen, maar wel belangrijke.

12 september 2014, Dag van de scheiding

Op deze dag ben ik – op de kop af – 30 jaar getrouwd (en gelukkig)!

Tja, en dan een stuk over scheiding schrijven. Dan moet je omdenken.
“Omdenken”, mooi woord eigenlijk. Niet te vinden in mijn ouwe Van Dale (oplage 1982). Voor mij betekent het: je in een andere situatie, of de situatie van een ander, verplaatsen. Mooi brugje naar de scheiding, want daarbij speelt het onvermogen om zich in (de situatie van) de ander te verplaatsen vaak een belangrijke rol.

Een ding is wel duidelijk en geldt voor de meeste scheidingen. Ze gaan gepaard met pijn, gekwetstheid en teleurstelling en leveren vaak strijd op. Strijd, die ten koste gaat van de partijen en hun omgeving. Dat weten en begrijpen de betrokken partijen zelf ook wel, maar daarvan los komen, die strijd opgeven of uit de weg gaan en positief, constructief blijven denken, is moeilijk. Dat lukt zonder hulp maar weinigen.

Een advocaat, die wel eens gezien wordt als degene, die olie op het vuur gooit om daar zelf beter van te worden, kan – net als een mediator – dan goed werk doen. De advocaat, als partijdige adviseur en rots in de branding. De mediator, als neutrale bemiddelaar en bruggenbouwer.

Wat ik vaak mis, is het oog voor en de stem van de “omgeving”. Ik bedoel degenen, die in het conflict tussen de scheidende personen, geen directe stem hebben, zoals kinderen en familie bij een echtscheiding, een collega’s bij een arbeidsconflict, andere buren bij een burenconflict en noem maar op.

Die anderen spelen in het gewone leven van de conflictpartijen vaak een heel belangrijke rol. Ze lijden vaak ook onder de scheiding, hoewel hen die niet direct persoonlijk aangaat. Met name bij kinderen in een echtscheiding is dat het geval.

Steeds meer – en dat is een goede ontwikkeling, vind ik – worden de kinderen betrokken en krijgen daardoor een stem. Een stem, die – meestal – wel gehoord kan worden door de strijdende partijen. Een stem, die vaak een verhelderende en louterende werking heeft.

Vaker en intensiever doen dus! Betrek de “omgeving” erbij, bedenk dat we allemaal niet los van onze “omgeving”: staan en die ons kan helpen, niet alleen als het goed gaat maar ook als het slecht gaat. Soms door – alleen maar – te (echt) luisteren, soms door te (onder)steunen, maar meestal door eerlijk en direct vanuit hun perspectief naar het ontstaan en de gevolgen van de strijd te kijken en aan te geven hoe de strijd hen treft en wat die met hen doet.

Zowel een advocaat als een mediator, maar zeker ook een (mental) coach kunnen je helpen dat moeilijke proces, waarvoor geen universele handleiding bestaat, door te komen.

Mediation voor ouderen

Ouder worden gaat vaak gepaard met gebreken en conflicten

De realiteit van het ouder worden en de daaraan verbonden beslissingen, waarmee een oudere en zijn/haar familie worden geconfronteerd, stellen ook hechte en stabiele families – zelfs als zij in het verleden effectief konden omgaan met het nemen van moeilijke beslissingen en onderlinge conflicten – vaak zwaar op de proef.

De achteruitgang van fysieke en psychische mogelijkheden en daaruit voortvloeiende beperkingen en wijzigingen in de woon- en leefsituatie veroorzaken soms spanningen, die de communicatie tussen de betrokken oudere en zijn naaste omgeving problematisch maken.

De oudere zelf voelt zich niet gehoord en gerespecteerd in zijn/haar behoeften en – fundamentele – recht om zelf te beslissen, wordt onzeker, voelt zich onveilig en raakt in zichzelf gekeerd.

De hem omringende familie, hulp- en/of zorgverleners, zoals arts, sociaal werker, advocaat, fiscaal of financieel adviseur etc. hebben een eigen opvatting over wat de oudere nog wel en niet meer (verant-woord) kan en wat goed voor hem/haar is en dringen – vaak onbewust – hun (goedbedoelde) wil op.

Dat kan leiden tot conflicten tussen de betrokkenen met heftige emotionele reacties, zoals (over)bezorgdheid, frustratie, angst, boosheid of onzekerheid.

Wat kan mediation bieden ?

Als de bij zo’n conflict betrokken partijen kiezen voor mediation, dan kiezen zij voor (de weg naar) een oplossing, die zij zelf kiezen en niet voor hen door anderen wordt bepaald.

Het transformatieve mediationmodel (TM) stelt het zelfbeschikkingsrecht van de oudere voorop. De TM-mediator zal zich daardoor onthouden van sturende interventies en de betrokken partijen (louter) helpen en ondersteunen in het maken van hun eigen keuzes. Zij bepalen wat zij belangrijk vinden om te bespreken, hoe zij dat willen bespreken en wat de uiteindelijke uitkomst is. Emoties worden niet ontmoedigd of onderdrukt doch – in tegendeel – als waardevolle en normale onderdelen van het proces gezien.

Waardoor kenmerkt zich oudermediation ?

Kenmerkend is de betrokkenheid van meerdere partijen en het intensieve intake-proces, waarin wordt vastgesteld wie een plaats aan de medation tafel krijgt. Tijdens de bijeenkomsten komen o.a. de volgende onderwerpen aan bod:

  • Beslissingen over gezondheid en medische zorg
  • Financiële en juridische aangelegenheden
  • Beslissingen over huisvesting
  • Communicatie
  • Relaties
  • Besluitvorming
  • Personele zorg en onderhoud
  • Onderwerpen in relatie tot beperkingen

Doel van de interventies van de TM-mediator is erop gericht de partijen de gelegenheid te bieden om (eindelijk) gehoord te worden in hun wensen, behoeften en verlangens, daarin erkend en gerespecteerd te worden, hen gerust te stellen en te ondersteunen in hun capaciteiten om zelf de oplossing te vinden, die bij hen past.

Mediation verplicht bij vechtscheiding ?

“Bij een zogeheten vechtscheiding moet mediation verplicht worden. Dat wil een Kamermeerderheid van VVD en PvdA. Ouders die het niet eens worden over het gezag over hun kinderen moeten naar een mediator”.
Bron: http://www.rtlnieuws.nl/nieuws/politiek/kamer-mediation-verplicht-bij-vechtscheiding.

Dat er zowel een maatschappelijk als ook persoonlijk belang bij gediend is dat een conflict tussen echtelieden niet escaleert als gevolg van hun verstoorde relatie c.q. communicatie, valt niet te ontkennen. Veel leed, en werk voor de rechter, Raad voor de Kinderbescherming, maatschappelijk werk, gemeentelijke diensten, justitie en/of medici kan worden bespaard.

Dat die belangen er DUS bij gebaat zijn dat strijdende echtelieden worden gedwongen zich tot een mediator te wenden om te proberen hun geschil zelf tot een oplossing te brengen, is echter de vraag.

Dwang gaat – al snel – voorbij aan de (behoefte aan) autonomie van elke betrokken partij en miskent dat indien commitment ontbreekt, mediation zelden leidt tot een zinvolle en vruchtbare gedachtewisseling, laat staan, een blijvende oplossing. Vaak zoekt en vindt een van partijen dan al snel een argument om de stekker uit de mediation te trekken met het argument dat het voor hem/haar geen zin (meer) heeft.

Meer zin, dan duwen of trekken heeft, denk ik, verleiden i.d.z.v. appelleren aan het gezond verstand.

Hoe ?
In de eerste plaats door mediation breder en beter onder de aandacht te brengen. Wat is het? Hoe werkt het? Wat valt er te winnen ten opzichte van alternatieven, zoals vechten voor de rechter? Wat kan en doet die rechter nou eigenlijk, en hoeveel meer valt er te bespreken en regelen in een mediation? Wat is het verschil in tijd, risico en kosten?

In de tweede plaats door mediation te faciliteren. Als wij er – met zijn allen – van overtuigd zijn dat mediation kan helpen de, hiervoor genoemde kosten, voor de maatschappij te beperken, dan moet het ons wat waard zijn die optie aantrekkelijk te maken in plaats van de partijen, die sowieso al onder druk staan en niet goed in staat zijn los te komen van hun conflict het zelf maar uit te zoeken.

Waar praten we over, qua kosten?
Een fractie van de meetbare kosten, die jaarlijks opgaan aan genoemde instanties en hulpverleners, die nu – en in de toekomst – de scherven moeten opruimen van schermutselingen tussen strijdende partners, vaak zijnde ouders van beschadigde kinderen.

Mediation is een niet alleen een prachtig medium om in een conflictsituatie de partijen een uitweg te bieden, die zij zelf kiezen, maar ook een les en steun voor de toekomst te geven: “Het is mij, ons, zelf gelukt om een oplossing te vinden”. Dat geeft persoonlijke kracht en heeft uitwerking naar de omgeving.

We profiteren allemaal!

Pesten en mediation

De laatste tijd wordt er in de media weer veel aandacht besteed aan het fenomeen pesten. Pesten is niet nieuw, komt wereldwijd voor en is niet cultuurgebonden. Door de komst van internet heeft pesten echter een enorme vlucht genomen. Cyberpesten is gemakkelijker en effectiever voor de pester, de gepeste kan er daarentegen nauwelijks aan ontsnappen.

Vanuit mijn rol als mediator zie ik duidelijk mogelijkheden om deze conflictsituaties tot een einde te brengen. Voor pesten zijn er (minimaal) twee nodig en om het te stoppen (dus) ook. Dat impliceert dat zowel de gepeste als de pester een rol hebben, die aandacht verdient.

Vaak gaat de eerste en meeste aandacht uit naar de gepeste, die al gauw wordt geëtiketteerd als slachtoffer, dat “volledig onschuldig” is en niet zelf in staat is te bepalen hoe hij/zij uit de situatie kan geraken. De pester krijgt het etiket van misdadiger opgeplakt en wordt “aangepakt”.

Die primaire reactie is begrijpelijk. In de meeste gevallen zal de eerste interventie gericht (moeten) zijn op opvang van de gepeste en voorkoming van herhaling. De “strijdende partijen”moeten uit elkaar worden gehaald en tot rust kunnen komen.

Als dat is gelukt en beide – in een zekere rust – tot zich hebben laten doordringen wat er allemaal is gebeurd en wat de gevolgen daarvan voor henzelf en de ander zijn, dan komt er een moment, waarop de bereidheid kan ontstaan (en worden gefaciliteerd) om er eens samen over te praten.

Elke betrokken partij heeft een eigen rol en kijk op het ontstaan, doorgaan en de gevolgen, die aandacht verdient. Pas als ieder zich gehoord en begrepen voelt, kan hij/zij het heft weer in eigen hand nemen en zelf bepalen wat en hoe hij/zij verder wil met het conflict.

Het respect voor en geloof in het eigen vermogen van elke partij om in te zien wat er gebeurt, waar het toe leidt en een eigen – zelf gekozen – uitweg, in de vorm van passend gedrag, te kiezen, is essentieel om de kans op een blijvende oplossing te vergroten.

Een mediator kan daarbij helpen.

Mediation congres 2013

Op 15 november j.l. ben ik naar het jaarlijkse Mediation congres in het Media Plaza te Utrecht geweest. Het was weer een boeiende dag met een zeer interessant programma. De spreker Willem Sodderland gaf een zeer inspirerende sessie en heeft mij weten te enthousiasmeren om meer aandacht te gaan besteden aan mijn online activiteiten. En om maar direct goed van start te gaan heb ik mijn eigen Blog opgezet. Vanaf heden zal ik met regelmaat schrijven over zaken welke mij bezig houden, m.n. binnen mijn vakgebied: Mediation.